GENDERDYSFORIE FEITEN EN INFORMATIE

Genderdysforie Feiten en Informatie

Niemand wordt geboren in het verkeerde lichaam - Er is geen biologische verklaring

Vaak wordt beweerd dat transseksualiteit een biologische basis heeft, als gevolg van een atypische hormonale blootstelling in de baarmoeder, waardoor hersenstructuren bij transgenders kenmerken zouden hebben die meer lijken op het ‘waargenomen’ geslacht dan het ’toegewezen’ geslacht. Er is geen bewijs dat dit staaft, en het wordt tegengesproken door alle klinische wetenschap en ervaring. Vermeldenswaardig is het inzicht verkregen door studie van DSD’s (Disorders of Differences of Sex Development). Vrouwelijke baby’s geboren met een aangeboren bijnierhyperplasie (CAH), een aandoening die de zich ontwikkelende baby blootstelt aan hoge niveaus van mannelijke hormonen, vertonen bijvoorbeeld vaak typische mannelijke voorkeuren en gedragingen. Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor dit fenomeen voorgesteld die onafhankelijk zijn van prenatale blootstelling aan het mannelijk hormoon. Belangrijk is dat de overgrote meerderheid van de getroffen kinderen met CAH in het verleden geen transgenderidentiteit of genderdysforie ervaarden.

Het gebrek aan een duurzame biologische onderbouwing van een transgender-identiteit wordt het best aangetoond door studies met identieke tweelingen, waaruit blijkt dat tweelingen waarvan er één genderdysforie ontwikkelt, dit zich slechts voordoet bij beide in 28%, ondanks het feit dat ze identieke genen hebben.

Beweringen over structuurovereenkomst van de hersenen zijn mythen en worden weerlegd door technische geavanceerde methoden in morfologische studies met transgender- en controlegroepen.

Er zijn statisch gezien verschillen tussen de hersenen van mannen en vrouwen. Zo zijn mannelijke hersenen gemiddeld 10% groter dan vrouwelijke hersenen. Vrouwen hebben een hogere dichtheid van ‘grijze stof’ (overvloed aan neurale celkernen) en dienovereenkomstig is het volume van ‘witte stof’ (overvloed aan niet-neuronale gliacellen, in het bijzonder’ myelinisatie’ van neuronen) bij mannen groter. De hersenschors van mannen is dunner dan die van vrouwen.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar menselijke hersenen met zogenaamde Functional Magnetic Resonance Imaging (fMRI). De conclusies waren dat de variabiliteit in elke regio, ‘nucleus’, zo groot waren dat het onmogelijk is om te zeggen dat deze regio aantoont dat dit brein van een man of een vrouw is. Niettemin kunnen ‘deep learning’ computerprogramma’s met een nauwkeurigheid van 93% zien dat er twee hersenklassen zijn, namelijk mannelijk en vrouwelijk.

Bij transvrouwen (geboren als man) werden er in de hersenmorfologie verschillen gevonden met de controlegroep, maar de waargenomen verschillen waren identiek aan deze voor homoseksuele mannen en waren niet vergelijkbaar met de morfologie van vrouwelijke hersenen. Een vergelijkbare relatie werd gezien tussen transmannen (biologische vrouwen), lesbiennes en een controlegroep vrouwen. Dus via scanning imaging kan aan de hand van de hersenmorfologie het geslacht worden bepaald maar niet de genderidentiteit.

Vergelijkbare studies zijn gedaan naar veranderingen in hersenstructuren voor verschillende professionele beroepen. Zo toonde een lange termijnonderzoek naar de vergelijking tussen stewardessen (vliegtuig) en taxichauffeurs aan dat het beroep in de loop van de tijd een grote impact kan hebben op de grootte van hersenstructuren, zoals de hippocampus, een hersenstructuur waarvan bekend is dat ze cruciaal is voor de verwerking van geheugen en ruimtelijke oriëntatie. Ook onderzoeken naar verschillende psychische stoornissen (bijv. schizofrenie, depressie, slaaptekort) laten significante verschillen zien met de controle groepen.

Verschillen in hersenmorfologie van individuen die lijden aan genderdysforie, in vergelijking met controlegroepen wordt waarschijnlijk ook beïnvloed door verschillen die worden waargenomen voor verschillende psychiatrische stoornissen en psychologische stress. Samenvattend kunnen we stellen dat er geen bewijs is dat het transvrouwenbrein meer lijkt op het vrouwenbrein van de controlegroep, en er zijn ook geen overeenkomstige verschillen in het transmannenbrein.

Bij kinderen zijn de hersenen niet volledig ontwikkeld en zijn ze geprogrammeerd om te veranderen met de leeftijd, genetisch en bij blootstelling aan geslachtsspecifieke hormonen. Tijdens de puberteit leidt testosteron bij mannen ertoe dat de hersenschors dunner wordt dan bij vrouwen en vervolgens ‘mannelijk’ in zijn kenmerken. Dit betekent dat er vóór de puberteit geen details zijn over hoe de hersenen zich tijdens en na de puberteit (tot 25 jaar) zullen ontwikkelen. Het is daarom onmogelijk, zelfs niet theoretisch, om met fMRI bij kinderen tot de conclusie te komen over de vraag of het kind lijdt aan genderdysforie of aan andere psychologische/psychosociale problemen.

Bron: It is a myth that specific brain regions of trans persons are more like those of the self-identified gender

Misschien nog belangrijker dan het voorgaande is onderstaand artikel die de opvallende overeenkomst beschrijft tussen Anorexia en genderdysgorie:

Genderdysforie en veranderingen in de ‘Resting State Networks’

Het wordt steeds duidelijker dat genderdysforie niet het gevolg is van het hebben van hersenen van het andere geslacht in je lichaam – een overtuiging zonder basis in wetenschap of logica. In plaats daarvan wijst bewijsmateriaal op connectiviteit binnen de Resting State Networks van de hersenen om te verklaren waarom sommigen het gevoel hebben dat ze het tegenovergestelde zijn van hun eigenlijke geslacht. Onderzoek wijst namelijk uit dat er bij genderdysforie, net als bij anorexia nervosa en andere stoornissen in lichaamsdysmorfie, zichtbare veranderingen zijn in de connectiviteit binnen de Default Mode (DMN) en Salient (SN) netwerken, waarvan wordt aangenomen dat ze de neurologische basis vormen voor het gevoel van het zelf.

In hun studie van de hersenmorfologie en over de mogelijke neurobiologische onderbouwing van genderdysforie, voerden Savic e.a. een onderzoek uit naar hersenverschillen bij individuen die genderdysforie vertoonden. Wat zij ontdekten was dat de hersenmorfologie van genderdysfore personen niet te onderscheiden was van hun geboortegeslacht, eenmaal gecorrigeerd voor homoseksualiteit (interessant genoeg werden er wel verschillen opgemerkt tussen homoseksuele en heteroseksuele personen). Er waren echter wel veranderingen bij individuen met genderdysforie, niet in de hersenen zelf, maar in de neuroplastische connectiviteitsnetwerken die verantwoordelijk zijn voor “het bemiddelen van zelf-lichaamsperceptie” – die een verminderde communicatie vertoonden bij individuen met dysforie. Vanwege deze veranderingen in de connectiviteit konden ze niet vaststellen of genderdysforie aangeboren is, of dat het in plaats daarvan het resultaat is van langdurig piekeren.

Vergelijkbare bevindingen zijn gedaan in studies van anorexia-patiënten. Net als bij de studies naar genderdysforie ontdekten onderzoekers dat er sprake was van een verzwakte functionele activiteit in de DMN en microstructurele afwijkingen in de fronto-occipitale hersenstructuur bij patiënten met anorexia, een stoornis die ten grondslag ligt aan een soortgelijke ontkoppeling tussen het beeld van het zelf en het lichaam, in dit geval het lichaamsgewicht en -grootte, in plaats van het geslacht. Deze stoornissen lijken meer op elkaar dan activisten ons willen doen geloven, en in beide gevallen gaat het om een breuk tussen de biologische werkelijkheid en het zelf, die waarneembaar is in de hersenen.

In het geval van zowel genderdysforie als anorexia is de oorzaak en het gevolg onduidelijk – is het een mentale disconnectie tussen ‘hun lichaamsbeeld en perceptie van zichzelf’, mogelijks als gevolg van een gefocust zijn op zichzelf en sociale invloeden (dit zijn bekende oorzakelijke factoren voor beide aandoeningen), die vervolgens leiden tot ‘een verzwakking van de structurele en functionele verbindingen in deze netwerken’, of creëerden verzwakte verbindingen en verminderde connectiviteit de kloof of de dysforie in het zelfgevoel van de persoon? Meer onderzoek is nodig om de onderliggende oorzaken te achterhalen. Het is echter duidelijk dat verstoorde neurale paden het gevoel van eigenwaarde kunnen verstoren en kunnen leiden tot een verscheidenheid van verontrustende omstandigheden.

Hoe graag activisten ook zouden willen geloven dat deze aandoeningen verschillend zijn, de hersenen zeggen iets anders. De overeenkomsten tussen Anorexia- en genderdysforie-patiënten zijn zo evident, dat het opvallend is dat dit voortdurend over het hoofd wordt gezien door onderzoekers. Even opvallend zijn echter de zeer verschillende manieren waarop deze twee stoornissen worden behandeld, omdat de gemeenschappelijke hoofdoorzaak of het gemeenschappelijke symptoom over het hoofd wordt gezien. Anorexia wordt behandeld door middel van psychologische zorg, terwijl genderdysforie momenteel wordt behandeld door middel van bevestiging en medicalisering ter ondersteuning van het gestoorde denken. Deze uiteenlopende behandelingsprotocollen zijn verbijsterend. Artsen en psychologen die eetstoornissen behandelen bevestigen nooit het waarneembaar onjuiste idee, veroorzaakt door de verstoring in de juiste lichaamsperceptie, dat de patiënt overgewicht heeft, en het is bekend dat eetstoornissen kunnen worden opgelost door deze benadering te volgen, in combinatie met ondersteunende medische zorg. Bij genderdysforie daarentegen is de gedachtengang het eens te zijn met de waarneembaar onjuiste zelfperceptie van de patiënt en medische en psychologische behandelingen te ondernemen die de dysforie verder versterken.

Wanneer nu verkeerde geslachtshormonen worden toegediend aan deze personen met mentale dissociatie, worden neurale netwerken verder verstoord door deze chemische interventie. Zoals de studie van Clemens aantoont, vertoonden met hormonen behandelde mannen een verminderde connectiviteit tussen de linker frontoparietale cortex en de linker dorsolaterale prefrontale cortex. Met andere woorden, de hormooninterventies verminderden op onbedoelde wijze de communicatiewegen in de hersenen. Men zou kunnen zeggen dat dit het effect heeft van het verder verdiepen van de stoornis in de lichaamsbeleving, in plaats van te werken aan het oplossen ervan. Dit is geen wenselijk effect!

Bron: Transgender Medical Interventions: Impacts on the Brain

Oorzaken - Zelfbeeld als hoeksteen

Zelfbeeld - Image de soi - Self image

Willen we iets zinnigs kunnen zeggen over genderdysforie, dan moeten we op zoek gaan naar wat aan de basis ligt. De moeilijkheid met betrekking tot de etiologie is dat er geen eenduidige factor werd gevonden om genderdysforie te bepalen. In plaats daarvan wordt genderdysforie algemeen beschouwd als een multifactoriële aandoening waarbij zowel psychologische als biologische aspecten een rol spelen.

Om er enige grip op te krijgen kan men een opdeling maken in drie verschillende soorten genderdysforie, waarin een onderscheid wordt gemaakt naar de verschillen in de beginleeftijd (kindertijd, adolescentie of volwassenheid), de beginsnelheid (geleidelijk of plotseling) en de bijhorende seksuele geaardheid.

Type 1 – Genderdysforie op kinderleeftijd
Dit type met een aanvang in de kindertijd komt zowel bij jongens als bij meisjes voor. De meesten van hen zullen zich in de adolescentie en volwassenheid aangetrokken voelen tot homoseksuele relaties. Risicofactoren die dit type van genderdysforie persisteren zijn sociaaleconomische status en autistische trekken (obsessioneel denken).

Type 2 – Autogynefiele genderdysforie
Komt quasi alleen voor bij mannen. Het wordt geassocieerd met de neiging om seksueel opgewonden te raken door de gedachte of het beeld van zichzelf als vrouw. Dit type genderdysforie begint in de adolescentie of de volwassenheid, en het begin is meestal geleidelijk.

Type 3 – Rapid-onset genderdysforie (ROGD)
Dit is een recent fenomeen die verantwoordelijk is voor de huidige epidemie aan genderdysfore jongeren. Opvallend is dat ze geen teken van genderdysforie hadden als jonge kinderen. De grote meerderheid van hen zijn adolescente en jonge volwassen vrouwen. Voor het begin van hun ROGD zien ze zichzelf niet als heteroseksueel. Sociale besmetting is heel reëel, waardoor ze van zichzelf gaan geloven dat ze transgender zijn en dat dit de verborgen oorzaak was van hun problemen. Daarnaast werd vastgesteld dat er een grote comorbiditeit van bepaalde psychiatrische problemen, met name aspecten die verband houden met borderline persoonlijkheidsstoornis (bijv. niet-suïcidale zelfbeschadiging) en milde vormen van autisme, aanwezig zijn. Uitgebreide informatie is o.m. terug te vinden in de gepubliceerde studies van Lisa Littman.

Uiteraard is dit slechts een opdeling om het inzichtelijker te maken, wat betekent dat types nooit strak afgelijnd zijn. Bijvoorbeeld, waar iemand van het type 1, ‘genderdysforie op kinderleeftijd’ dit voorheen in de adolescentie overwon, blijft deze niet ongevoelig voor de actuele sociale besmetting en de sociale acceptatie, waardoor deze blijft volharden. Als de uitdaging vervaagd, waarom zou deze van gedachten veranderen?

Onderstaand lijstje is een weergave van de meest voorkomende oorzaken:

  • Autogynefilie (een heteroseksuele man die seksueel opgewonden raakt bij de gedachte aan zichzelf als vrouw).
  • Afwijzing van iemands homoseksualiteit (bijvoorbeeld, de voorkeur om te leven als transvrouw, aangetrokken door mannen).
  • De gevolgen van concrete denkprocessen die kenmerkend zijn voor autisme spectrum stoornis (bijvoorbeeld, ik hou niet van jurken, daarom moet ik een jongen zijn).
  • Beschermend mechanisme om herhaald seksueel trauma te voorkomend.
  • Te wijten aan stress van het simpelweg niet passen in de stereotiepe verwachtingen van de samenleving over genderrollen.
  • Slachtoffer van pestgedrag

Bovenstaande opdeling, en opsomming van mogelijke oorzaken maakt het niet noodzakelijk inzichtelijker. Al vlug raakt men verdwaald in de veelheid van opsommingen, en mist men een gefundeerde verklaring. Ook ontstaat de verleiding mensen toe te wijzen in het ene of andere vak, wat hen onrecht aandoet, en een illusie van echte en valse transpersonen opwekt.

Daarom is het interessant te wijzen op een gemeenschappelijke grond, dat genderdysforie eerder een signaal is, die aangeeft dat een onderliggend probleem moet worden aangepakt en dat de veerkracht en zelfacceptatie moet worden opgebouwd. Het ontbreken van zelfacceptatie is de basis van genderdysforie, en dit staat in correlatie tot ons zelfbeeld. De gedachten die we vormen over onszelf, maken hoe we het leven ervaren. Toch even opmerken, zelfbeeld heeft niets te maken met genderidentiteit. Genderidentiteit wordt door de translobby als een onveranderlijke eigenschap gepropageerd, die er meer toe doet dan het biologisch geslacht. Dit is fictie, en kan op geen enkele manier wetenschappelijk worden verantwoord. Het verspreiden van dit idee is verwerpelijk, omdat het mensen in de richting van een transitie duwt, en onherstelbare schade toebrengt.

In hoofdzaak verloopt de vorming van ons zelfbeeld onbewust, en wordt bepaald door het ons inpassen van onze gevoeligheden, aanleg en beperkingen in de omgeving waarin we terecht komen. Ons zelfbeeld is nooit een weergave van de werkelijkheid, of van hoe anderen ons zien. We kijken als het ware door een gekleurde lens. Misschien kunnen we dit nog het best begrijpen als het spanningsveld tussen onze innerlijke beleving en de buitenwereld. Worden we ons te bewust van ons zelfbeeld, of met andere woorden, vereenzelvigen we ons met dit zelfbeeld, dan wordt dit een bron van conflict en zelfkritiek. Het isoleert ons en maakt ons ontoegankelijk voor impulsen uit het onbewuste en uit de omgeving. Deze hyperreflectie, of gefixeerde identiteit is een universeel gegeven dat de grondslag vormt van veel menselijke leed. Hyperreflectie opent de weg naar waanbeelden, d.w.z. de projectie van de imaginaire wereld op de werkelijke wereld, en juist dit is de essentie van genderdysforie! Mensen zijn sowieso geneigd om te geloven wat hen goed dunkt. Het nuttige is goed, het begeerde is juist, het gewenste is werkelijk. Die mantra ligt aan de basis van elke waan, waardoor deze zo moeilijk herkenbaar is.

Interessant is de definitie van waan beschreven door Huub Mous:

De waan is een transformatie van de werkelijkheid tot een vorm van mateloosheid die als functie heeft het wegnemen van obstakels die een doel, dat als noodzakelijk wordt beschouwd, op structurele wijze in de weg staan. Het is dus een foutieve, maar niet zelden efficiënte ‘out-of-the-box-oplossing’ voor een onoplosbaar geacht probleem, dat een structureel gevoel van onbehagen heeft gecreëerd.

Terug naar de werkelijkheid – Loslaten als redding
We kunnen vastlopen in ons denken en voelen, waardoor de werkelijkheid niet langer objectief wordt waargenomen. Herstel moet gericht zijn op de weg terug, in de verhouding tot onszelf en de werkelijkheid. Bevrijding ligt in zelfacceptatie. Dit is thuiskomen bij onszelf en ons verbonden weten.

De filosoof Ype de Boer heeft dit mooi geïllustreerd vanuit de verhalen van de Japanse schrijver Murakami.  Met een video van nog geen 3 minuten lang, Wat schrijver Murakami je leert over het leven wordt de essentie in een notendop weergegeven.

Wat vertelt Murakami ons over het leven? Als je het zou samenvatten in één zin, dan is het, dat we een eigen identiteit moeten vormen, of een authentiek zelf moeten vinden, dat we moeten worden wie we zijn, dat we dat moeten loslaten.
Als we kijken naar de hoofdpersonen aan het begin van zijn verhalen, dan krijgen we het idee dat deze mensen wel weten wie ze zijn. Dat ze een stabiel beeld van zichzelf hebben opgebouwd, en een leven hebben gemaakt waarin ze overzicht hebben.
Maar even constant als die uitgangspositie is de problematisering hiervan. Precies deze mensen die hun leven op die manier hebben ingericht, op het comfort, de routine, de zelfbescherming, hen overkomt iets waardoor een kloof wordt geslagen, tussen het oude leven, wie ze dachten die ze waren, en degene die ze nu zijn, of wat het leven hen nu biedt.

 

Hoe gaan zij hiermee om? Hoe gaan ze met die ervaring van gespletenheid om?
Er zijn 3 opties, die alle drie voorkomen.

 

    1. Ontkenning: Of ze houden nog meer vast aan het oude zelf. Of ze proberen de crisis te ontkennen, terug te gaan naar hoe het was.
    2.  Wedergeboorte: Of ze ervaren dat moment als een crisis als een fase, waar ze doorheen moeten, om vervolgens een nieuw iemand te worden, even stabiel als voorheen, maar net iets anders.
    3.  Acceptatie: Of, en dat is de uiteindelijke optie, die bij Murakami naar voor komt. Ze leren die gespletenheid omarmen. Ze leren dat hele idee dat je iemand moet zijn, dat die stabiliteit zo belangrijk is, om dat los te laten. Want alleen op het moment dat we niet proberen overeen te komen met het beeld dat we van onszelf hebben gemaakt, of dat iemand anders van ons misschien heeft gemaakt, alleen dan is er ruimte voor verschil, voor verlangens die aan je status quo voorbijgaan, is er ruimte voor liefde, voor iemand anders die je leven beïnvloed, in plaats van die ander die alleen maar een functie heeft in het verstevigen van dat beeld en dat leven dat je reeds had. Als wij leren de juiste afstand tot dat idee te houden, en natuurlijk blijven die beelden een rol in ons leven spelen, pas dan is er genoeg ruimte om daadwerkelijk nieuwe dingen toe te laten.

Het is duidelijk dat we pas in de derde optie vrij worden, mens worden in de volle betekenis van het woord. Als genderzorg werkelijk zorg is, dan moet het duidelijk zijn dat deze mensen moeten begeleid worden naar zelfacceptatie, en niet in het ontkennen van de realiteit, en het bevestigen van een problematisch zelfbeeld.

Genderklinieken negeren belangrijke studies - Medische behandeling biedt geen voordeel in termen van mentaal welzijn en suïcidaliteit.

Genderklinieken geven de voorkeur aan medisch behandelen, met als argumentatie dat langer wachten gevaarlijker en schadelijker is, en vernoemen zelfmoord en mentaal welzijn. Hiermee maken ze zich schuldig aan het negeren van belangrijke studies.

Het American Journal of Psychiatry (augustus 2020) publiceerde een buitengewone correctie op een publicatie van het Karolinska-instituut (Bränström & Pachankis 2019), die beweerde de eerste te zijn die bewijs leverde van de voordelen van biomedische behandeling voor volwassenen op de geestelijke gezondheid op lange termijn. Na correctie werd geconcludeerd dat noch hormonen, noch chirurgie enig voordeel opleveren in termen van geestelijke gezondheid en suïcidaliteit op lange termijn. Dit is tot op heden de grootste objectieve studie in zijn soort met volledig geregistreerde gezondheidsgegevens van patiënten.

Ook het argument ‘zelfmoordpreventie’ is ongegrond. In 2011 publiceerde Dr. C. Dhejne, hoofdonderzoeker (2020) van genderdysforie in de afdeling ANOVA, Karolinska Hospital, Zweden, een studie (2011) die aantoont dat voor personen die geslachtsverandering hebben ondergaan het risico op zelfmoord 19 keer hoger is dan de algemene bevolking (x40 voor meisjes die een transitie ondergaan). Er is geen indicatie of onderzoek die aantoont dat geen behandeling, of een alternatieve behandeling tot een gelijk risico zou leiden.

Er zijn ernstige medische risico's en bijwerkingen van puberteitblokkers en hormoonbehandeling

Puberteitsblokkers
De mythes dat puberteitsblokkers onschadelijk zijn, zijn oude hypothesen voordat studies en vervolgonderzoeken werden gepubliceerd. Risico op onomkeerbare onvruchtbaarheid, evenals onomkeerbare effecten op de botdichtheid (bijv. chronische wervelkolomproblemen, effecten op ribben) en verlaagd IQ (tot ongeveer 8 punten, als gevolg van stopzetting van de hersenontwikkeling) werden opgemerkt.

Naast deze onderzoeken heeft de Britse NHS recentelijk vervolgonderzoek gedaan naar de effecten van puberteitblokkers op kinderen en uit analyse van deze gegevens blijkt dat psychiatrische problemen (zelfmoordgedachten, zelfbeschadiging, angst, genderincongruentie – d.w.z. ontevredenheid over sommige geslachtsaspecten van hun lichaamskenmerken) bij meisjes toenam na behandeling met puberteitblokkers.

Ongeacht de medische bevindingen in recent onderzoek, is de behandeling met puberteitblokkers onethisch aangezien puberteitblokkers genderdysforie voor 100% consolideert bij behandelede kinderen, die er anders uit zouden groeien tot een ‘normale’ volwassen rol.

 

Testosteron

De langetermijneffecten van testosteron zijn grotendeels onbekend, maar zeker is dat ze ernstige risico’s inhouden. Het volgende kunnen we zeker al zeggen:

  • Kans op hartfalen verhoogt met 300% (Dit is het viervoudige risico bij vrouwen, of dubbele risico bij mannen).
  • Pijnlijke vaginale atrofie.
  • Clitorale groei kan pijn en gevoelloosheid veroorzaken.
  • Onomkeerbare vruchtbaarheid (als testosteron na de puberteit wordt gestart; indien direct na puberteitsblokkers toegediend, is onomkeerbare steriliteit de norm).
  • Acne die ernstig genoeg is voor het vereisen van een behandeling.
  • Mannelijke kaalheid bij genetische aanleg.
  • Sommige rapporten suggereren dat een verhoogde spiermassa op een vrouwelijk frame kan leiden tot het thoracic outlet-syndroom.
  • Studies suggereren ook dat bij vrouwen hogere endogene testosteronniveaus correleren met insulineresistentie en de ontwikkeling van diabetes, en studies suggereren dat het toedien van testosteron als medicijn het risico op diabetes kan verhogen.
  • Veranderingen in de eierstokken en baarmoeder die mogelijk leiden tot een verhoogd risico op kanker, waardoor veel deskundigen hysterectomie en bilaterale salpingo-ovariëctomie aanbevelen.
  • Mogelijke lever- en nierbeschadiging.
  • Testosteron kan stemmingswisselingen veroorzaken.
  • Veranderingen in stem, botstructuur, haarverdeling en geslachtsdelen zijn permanent, zelfs als het gebruik van het hormoon wordt gestopt.

Oestrogeen

  • Een significant hogere prevalentie van veneuze trombose, myocardinfarct, Hart- en vaatziekten.
  • Verhoogt risico op ischemische beroerte met 250%.
  • Een 46 maal hogere incidentie van borstkanker.
  • Osteoporose.
  • Leversteatose (leververvetting).
  • Insulineresistentie wat leidt tot diabetes type 2.
  • Een verhoogd risico op de ziekte van Alzheimer en psychopathologie.
  • Levenslange monitoring.

Het gebruik van progesteron met oestrogeen maakt het niet veilig!

Referenties

WPATH Standards of Care - Niet aanbevolen als klinische praktijk

Het WPATH (World Professional Association for Transgender Health) heeft psychologische counseling verworpen als behandeling bij incongruentie tussen het ervaren en het biologische geslacht, met als bewering dat deze benadering niet succesvol en schadelijk is gebleken. Maar het bewijs dat wordt aangehaald om deze bewering te ondersteunen, maakt meestal gebruik van casusrapporten van meer dan veertig jaar geleden.

Dit heeft ertoe geleid dat psychotherapie als behandeling voor genderdysforie grotendeels werd opgegeven. Maar de bevinding dat genderdysfore mensen blijven worstelen met een aanzienlijke last aan psychische aandoeningen, zowel voor als na de transitie, brengt de vraag naar hoogwaardige mentale gezondheidsdiensten terug naar voor. Ook de recent gecorrigeerde studie van Bränström & Pachankis 2019, waarin werd geconcludeerd dat noch hormonen, noch chirurgie enig voordeel opleveren in termen van geestelijke gezondheid en suïcidaliteit op lange termijn, doet de eenzijdige aanpak van positieve affirmatie therapie in vraag stellen.

Niettegenstaande deze bevindingen blijven genderklinieken, ook in Vlaanderen (UZ Gent) de ‘Standards of Care’ (WPATH SOCv7) als de ultieme behandeling promoten. Nochtans is er weinig bewijs om deze aanbevelingen aan te wenden in de klinische praktijk.

Zo vermeldt een Internationale briefing voor psychotherapeutische experts bij het Amerikaanse 9th Circuit of Court of Appeals het volgende:

WPATH Standards of Care 7 Not Recommended for Use in Clinical Practice
Over het algemeen is er weinig robuust bewijs voor de effectiviteit van de behandelingen die worden aanbevolen in de WPATH-richtlijnen, en het bewijs komt (meestal) van retrospectieve cohortonderzoeken die niet zijn beoordeeld of gekoppeld aan de normen. Er is ernstige bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de commissie die deze herziening van de normen in 2012 heeft uitgevoerd (oorspronkelijke versie, herhaaldelijk herzien en bijgewerkt, uit 1979). Over het algemeen beoordeelt professor Feder de kwaliteit van deze richtlijn als 3/7 en zou het gebruik ervan niet aanbevelen.
Sinds hij zijn evaluatie van de WPATH Standards of Care (SOC) heeft uitgevoerd, is er een deskundige beoordeling van de internationale klinische praktijkrichtlijnen (of CPG’s) voor genderminderheden/transgenders uitgevoerd en zijn de onderzoeksresultaten gepubliceerd in het British Medical Journal.
Opgemerkt wordt dat WPATH SOCv7 geen lijst met belangrijke aanbevelingen of controleerbare kwaliteitsnormen bevat. De geëxtraheerde aanbevelingen die te vinden zijn in de WPATH-richtlijnen, worden op een onsamenhangende manier gepresenteerd, met “weinig consistentie of overeenstemming over de geselecteerde passages”.

Bovendien moet opgemerkt te worden, dat Amerikaanse medische organisaties erg kwetsbaar zijn voor commerciële druk, aangezien het Amerikaanse gezondheidssysteem op winst is gebaseerd.

De gender transitie epidemie - Tijd om reflectie of meer gender klinieken?

In alle landen van de Westerse wereld, is er een extreme toename van mensen die zich aanmelden in Genderklinieken. Bijvoorbeeld, in het Verenigd Koninkrijk van 77 in 2009 naar 2.590 in 2018. Ook bij ons in België is deze trend aanwezig. Het centrum voor Seksuologie & Gender van het UZ Gent, kreeg reeds in de eerste negen maanden van dit jaar 694 aanmeldingen, dat zijn er reeds meer dan in 2020, dat ook al een recordjaar was (bron: De Zondag 10 oktober 2021).

Dit wordt verantwoord door de toenemende zorg en aandacht voor trans personen. Zeker, het valt niet te ontkennen, dat de media die het enkel heeft over succesverhalen een belangrijke rol speelt in de algemene acceptatie van het transgender verhaal, en mensen die hierin een oplossing zoeken. Het enige antwoord op de intussen opgelopen wachtlijsten, is het oprichten van nieuwe genderklinieken.

Nochtans zou je verwachten dat een verandering van deze omvang, zoals bij elk ander gezondheidsfenomeen (bv. toename kanker of diabetes), er een behoefte zou zijn om de oorzaak te onderzoeken en te begrijpen. Alleen al de exponentiële toename van adolescente en jong volwassenen vrouwen zou kritische vragen moeten oproepen. Vragen zoals, waarom zien we geen evenredige coming out bij vrouwen van middelbare leeftijd, en waarom zijn het nu vooral vrouwen waar het voorheen mannen van middelbare leeftijd waren?

Ook weten we intussen dat het vaak gepaard gaat met andere psychische problemen (OCS, angst en depressie, …), waarom wordt dit niet ernstig genomen? Bovendien heeft een studie aangetoond dat de kans op zelfmoord voor wie een transitie ondergaat, 19 keer hoger is dan de algemene bevolking. Ook is er geen bewijs dat een transitie de geestelijk gezondheid op lange termijn bevorderd.

Hoe kunnen wij dit, in een gezondheidssysteem gedragen door de samenleving, nog langer verantwoorden? Wordt het geen hoog tijd voor reflectie? Het opzetten van nieuwe genderklinieken zal nog meer mensen onherstelbare schade toebrengen en medicaliseren, en hen onthouden van de reële zorg die ze verdienen.

Detransitie - Mensen met spijt, een groeiend fenomeen

De zichtbaarheid van detransitie, of mensen met spijt is vrij recent en neemt snel toe. Vooral vanaf 2016 zien we hoe detransitioners begonnen video’s te posten waarin ze hun ervaring deelden. Inmiddels zijn er tal van projecten opgericht waar detransitioners terecht kunnen, zoals o.a. ‘Pique Resilience Project’, ‘Post Trans’, ‘Detrans Voices’. Het subplatform reddit/detrans telt intussen reeds 37.000 leden.

Ondanks dat deze realiteit niet langer te ontkennen valt, blijven genderklinieken en transactivisten hun bestaan minimaliseren, en halen aan dat deze worden misbruikt als argument tegen de transgenderzorg.

Niemand weet precies hoeveel mensen er spijt hebben, omdat er tot op heden nog maar weinig betrouwbaar onderzoek is verricht. Vast staat dat het aantal mensen met spijt veel hoger ligt dan het cijfer van 1-3% dat meestal wordt vermeld. Studies over spijt verliezen routinematig 30-40% (minst tevreden – of … dood) van mensen voor een follow-up, terwijl databases die geen mensen verliezen hoge zelfmoordcijfers na operatie laten zien. Dit zien we nu ook bevestigd in een nieuwe studie van Lisa Littman, die vermeldt dat minder dan een kwart (24%) van de mensen die hun medische behandeling stopzetten, hun behandelende clinici hiervan op de hoogte brachten. Ook dient er opgemerkt te worden dat het landschap van de genderzorg sinds 2015 drastisch is veranderd. Een nieuwe populatie van mensen diende zich aan, van mannen van middelbare leeftijd naar jonge meisjes. Niemand kan voorspellen wat hier het spijtpercentage zal zijn.

Als belangrijkste reden die men aangeeft voor detransitie, en dit geldt voor beide geslachten, is dat de transitie hun genderdysforie niet verlichte, en dat ze zich meer op hun gemak voelden bij het identificeren met hun geboortegeslacht, als gevolg van een verandering in hun persoonlijke definitie van vrouwelijk en mannelijk. Een meerderheid realiseerde zich ook dat hun genderdysforie verband hield met andere problemen. Om nog andere redenen is er een verschil op te merken tussen mannen en vrouwen. Vrouwen melden vaak hun bezorgdheid over mogelijke medische complicaties, en over teveel fysieke verandering. Daarentegen bij mannen was er ontevredenheid over te weinig fysieke verandering, verslechterende lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheidsproblemen en een gevoel van discriminatie.

Voor veel mensen is een detransitie een zeer isolerende ervaring. Het moeten toegeven verkeerd geweest te zijn, moeten verder leven met een gehavend lichaam, is veelal moeilijker dan de aanvankelijke transitie. Elie Vandenbussche, een Belgische detransitioner, publiceerde in een recente studie ‘Detransition-Related Needs and Support‘, de volgende conclusie:

Helaas, de ondersteuning die detransitioners krijgen om aan deze behoeften te voldoen op dit moment zijn erg slecht. Deelnemers beschreven sterke problemen met medische en mentale gezondheidssystemen, evenals ervaringen van regelrechte afwijzing door de LGBT+-gemeenschap. Veel respondenten hebben de wens geuit om alternatieve behandelingen te vinden om met hun genderdysforie om te gaan, maar meldden dat het onmogelijk was om erover te praten binnen LGBT+-ruimten en in de medische sfeer.

Deze verslagen zijn zorgwekkend en ze tonen de urgentie aan om het bewustzijn rond het onderwerp detransitie onder zorgverleners en leden van de LGBT+-gemeenschap te vergroten en vijandigheid te verminderen om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van detransitioners. 

Hoe kon het zover komen? – Een keerpunt dient zich aan

Vanuit een gevoeligheid voor sociale onrechtvaardigheid die kenmerkend is voor onze tijd en tot stand kwam vanuit burgerrechten bewegingen, zoals homo- en vrouwenbewegingen kon dit gebeuren. Dankzij hen kunnen we nu spreken over gelijke rechten tussen mannen en vrouwen, en gelijkheid voor homo’s. Maar men is verder op zoek gegaan naar andere bronnen van structurele onrechtvaardigheid, die er misschien helemaal niet waren. Zo werd transgenderisme geallieerd aan LGB bewegingen, en ontstond het transactivisme. Niet langer mocht iemands zelfverklarende identiteit, als man of vrouw, onafhankelijkheid van het biologische geslacht in twijfel worden getrokken. Kritische vragen werden al vlug afgedaan als transfobie. Scholen, zorgcentra en de reguliere media begonnen vanuit hun sociale bewogenheid dit activisme te ondersteunen.

Inmiddels zien we een toeloop van jonge mensen, vooral meisjes naar genderklinieken. Hun genderdysforie lijkt het nieuwe anorexia te zijn, op zoek naar een uitweg tot acceptatie. Sociale media speelt hierin een belangrijke rol, influencers openen een trans wereld waarin ze thuis komen. Maar ook het huidige klimaat, waarin transgenderisme als een normaliteit wordt opgedrongen, en de laagdrempeligheid van gendercentra, die deze mensen verder bevestigen op de ingeslagen weg, hebben een niet te verwaarlozen invloed.

De gevolgen blijven niet uit. De blinde vlek van dit identiteitsdenken wordt stilaan duidelijk. Detransitioners, de slachtoffers van de genderideologie kunnen niet langer ontkend worden, en beginnen zich te groeperen. Naast de medische gevolgen, zijn ze gestigmatiseerd en moeten hun leven opnieuw zien op te bouwen. De gebroken gezinnen, ouders die het levensverhaal van hun kind beter kennen dan wie ook, worden niet gehoord. Zij weten dat hun kind niet trans is, maar hun mening doet er niet toe.

Maar er is hoop, overal in de hele Westerse wereld zien we mensen opstaan die niet langer zwijgen. Nieuwe organisaties worden opgericht, en ondersteunen elkaar. Ethische therapeuten trekken aan de alarmbel. Nieuwe studies weerleggen de effectiviteit van invasieve positieve zorg, en pleiten voor psychotherapie. De landen die de meest liberale houding bepleitten voor transgenderzorg, manen nu aan tot voorzichtigheid, en passen schoorvoetend hun beleid aan.

Engeland – De sluiting van Tavistock
Het Britse NHS (National Health Service) zal volgend jaar de wereld grootste pediatrische genderkliniek – de Gender Identity Development Service (GIDS) in Londen – ook gekend als de Tavistock sluiten. Dit na een onafhankelijke beoordeling door Dr. Hilary Cass, waarin werd gemeld dat de kliniek geen veilige optie is voor jonge mensen, omdat de interventies gebaseerd zijn op slecht bewijs en het zorgmodel ervoor zorgt dat jongeren een aanzienlijk risico lopen op een slechte geestelijke gezondheid.

USA
De Amerikaanse staat Texas voert een onderzoek naar bedrieglijke handelspraktijken van de farmaceutische bedrijven Endo Pharmaceuticals Inc & AbbVie wegens vermeende promotie van geneesmiddelen die de puberteit blokkeren voor kinderen zonder de mogelijke risico’s bekend te maken en zonder wettelijke goedkeuring.

In april 2022 heeft de medische raad van Florida een uitgebreide wetenschappelijke kritiek geuit op genderbevestigende behandeling voor kinderen en adolescenten.

Zweden
In het Karolinska ziekenhuis in Zweden werd in mei 2021 een nieuw beleid van kracht dat hormonale behandeling verbiedt voor minderjarigen. Dit omdat de risico-batenverhouding zeer onzeker werd bevonden door o.m. de UK NICE evidence review (National Institute for Health and Care Excellence) en Zweden’s eigen Health and Technology Assessment (SBU) evidence review uitgevoerd in 2019, die een gebrek aan bewijs voor medische behandelingen vond, en een gebrek aan verklaring voor de sterke toename van het aantal adolescenten met genderdysforie in de afgelopen jaren.

Finland
In Finland heeft psychiater, dr. Riittakerttu Kaltiala-Heino in 2015 baanbrekend onderzoek gedaan waaruit bleek dat meer dan 75% van de adolescenten die een geslachtsaanpassende operatie aanvroegen, hulp nodig hadden voor andere psychiatrische problemen dan genderdysforie. Deze bevindingen werden sterk bevestigd in recent gepubliceerde onderzoekspapers (waarvan 89% dergelijke hulp nodig hadden). Als gevolg van deze bevindingen nam Finland in 2020 strikte richtlijnen aan waarbij therapie voorrang kreeg boven hormonen en chirurgie.
Een goedkeuring van “positieve chirurgie” is daarom niet houdbaar in het huidige internationale klimaat, aangezien er steeds meer aanwijzingen zijn dat de klinische opinie in toenemende mate verdeeld is, en dat de door WPATH bepleite aanpak niet wordt geacht te voldoen aan de vereiste zorgstandaard met betrekking tot de behandeling van genderdysfore adolescenten.

Frankrijk
In Frankrijk werd in januari 2021 een interdisciplinaire vereniging van ongeveer honderd clinici, onderzoekers en filosofen opgericht onder de naam ‘Observatoire des discours idéologiques‘ voor kinderen en adolescenten om te waarschuwen tegen de huidige tendens van het medicaliseren van jongeren.

Australië en Nieuw-Zeeland
De ‘Royal College of Psychiatrists‘ nam in september 2021 een voorzichtige wending met betrekking tot genderklinieken voor jongeren. Psychiaters zijn gewaarschuwd voor de ethische en juridische risico’s van gemedicaliseerde geslachtsverandering bij jongeren en het gebrek aan solide bewijs met betrekking tot het nut of de schade ervan.

Het is de liefde die geneest.

Hou op jezelf te verachten,

een ander te willen zijn.