De mythe van de Belgische ‘voorzichtige aanpak’
Het kille, zielloze onderkomen van het Centrum voor Seksualiteit en Gender (CSG) van het Universitair Ziekenhuis Gent.
Gepubliceerd op 2 juni 2026
door Margrit Seiler
Origineel: Inspecting Gender – The Myth of Belgium’s ‘Cautious Approach’
In dit artikel onderzoekt Margrit Seiler hoe genderklinieken lippendienst bewijzen aan de Cass Review, maar weigeren van koers te veranderen.
Nederlandstalige genderklinieken in zowel Nederland als Vlaanderen reageerden met lippendienst op de Cass Review (ze steunden in het bijzonder de oproep voor meer middelen voor ‘genderzorg’), maar veranderden niets aan hun praktijk. Ze rechtvaardigden dit door te beweren dat hun aanpak zorgvuldiger is dan die van clinici in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten. Deze bewering is zowel opportunistisch als ongegrond.
De prominente rol van Nederlandse behandelaars — de grondleggers van medische transitie van minderjarigen, bekend als het ‘Dutch protocol’ — leidde in Vlaanderen voor een aanhoudende belangstelling in de gendergeneeskunde. Met een bevolking van 6,7 miljoen inwoners (minder dus dan Groot-Londen) telt de regio inmiddels zeven (!) genderklinieken. Het ‘CSG’ (Centrum voor Seksualiteit en Gender) van het Universitair Ziekenhuis Gent is de grootste en de enige met een gespecialiseerde afdeling voor minderjarigen. Het speelt een prominente rol in het quasi afwezige maatschappelijke debat dat er in Vlaanderen over gendergeneeskunde bestaat. Een van de stafleden, de uroloog Piet Hoebeke, heeft onlangs een boek gepubliceerd waarin hij het werk van de kliniek prijst en de ‘authentieke zoektocht’ beschrijft van een tiental cliënten naar hun ware, gemedicaliseerde zelf. De eerste recensies in de Vlaamse pers zijn positief1.
Als moeder van een dochter die al jaren ernstig depressief is en genderdysforie ervaart na seksueel misbruik in haar kindertijd (waar we pas onlangs achter zijn gekomen), zie ik de lof voor Hoebeke met ongeloof aan. Na jarenlange ervaring met disfunctionele jeugdpsychiatrische diensten en langdurige pogingen om antwoorden te krijgen van CSG over waarborgen en screeningsprocessen, kan ik met vertrouwen stellen dat de beweringen van Vlaamse gendertherapeuten over hun ‘zorgvuldige aanpak’ geen enkele geloofwaardigheid hebben. Het is waar dat de gezondheidszorg hier over het algemeen minder onder druk staat dan in het Verenigd Koninkrijk en minder gecommercialiseerd is dan in de VS. Maar dat is niet voldoende om de bewering van Vlaamse therapeuten dat hun praktijk daarom veiliger is, geloofwaardig te maken. Hoewel ik geen arts of bioloog ben, heb ik wel directe ervaring met gendergerelateerd lijden in de adolescentie, en beoordeel ik en formuleer ik complexe argumenten voor mijn werk. Zoals zal blijken, is dat meer dan genoeg om de overduidelijke problemen te signaleren.
Retorische steunbetuiging, maar geen actie — De reactie op de Cass Review
Een eerste reden om te twijfelen aan de beweringen van genderbehandelaars over hun zorgvuldigheid, ligt in het onvermogen van het CSG om een duidelijke uitleg te geven van wat hun vermeende zorgvuldige beoordeling inhoudt en, cruciaal, wat er nu daadwerkelijk beoordeeld wordt. Hierover nam ik na de publicatie van de Cass Review voor het eerst contact op met zowel het CSG als het voor het publiek toegankelijke ‘Transgender Infopunt’, met de vraag wat de bevindingen voor hen betekenden. Beiden reageerden met redelijk klinkende e-mails waarin ze verklaarden de review te onderschrijven. De duivel zat hem echter in de details.
Onder de links over Cass die Infopunt op hun website had geplaatst, bevond zich een link naar het antwoord van GenderGP, de in Singapore gevestigde praktijk die wordt gerund door twee voormalige Britse huisartsen. GenderGP staat bekend om dubieuze praktijken, zoals het gebruik van chatbots om met patiënten te communiceren, het voorschrijven van blokkers en hormonen zonder persoonlijk consult en het voorschrijven van exorbitante hormoondoses2. GenderGP noemt de Cass Review ‘onwetenschappelijk en onethisch’ en beschuldigt het rapport van het aanmoedigen van transfobie3. Toen ik dit aankaartte bij het Infopunt, kreeg ik te horen dat het plaatsen van de link op hun website niet betekende dat ze de inhoud ervan onderschreven. Maar geldt een ‘zorgvuldige aanpak’ ook niet voor de informatie die ze aan het publiek verstrekken?
De genderkliniek zelf verwees ook naar een verklaring van EPATH (mede geschreven door een van hun eigen artsen) en ze schaarden zich achter de verklaring van het Amsterdamse Universitair Medisch Centrum (UMC), de grondleggers van het ‘Dutch protocol’. Beide verklaringen werden ook door het Infopunt geciteerd4. Uit de kleine lettertjes van deze verklaringen bleek dat de vermeende steun voor de review zich beperkte tot de oproep voor meer middelen voor genderklinieken en gendergerelateerd onderzoek. De oproep van Cass tot een moratorium op het gebruik van puberteitsremmers en tot extreme voorzichtigheid met cross-sekse hormonen wezen zij in feite af. Bovendien gaven ze een actieve verdraaiing aan de observatie van Cass dat het bewijs voor de medische transitie van minderjarigen ‘opmerkelijk zwak’ was. In plaats daarvan focusten ze op haar opmerkingen over een gebrek aan integratie en coördinatie van de zorg, en beweerden ze dat hun interdisciplinaire teams het veel beter doen. Maar de betrokkenheid van verschillende specialismen staat op zichzelf nog niet gelijk aan een zorgvuldige beoordeling als iedereen vanuit hetzelfde conceptuele kader werkt.
Ik schreef terug, legde mijn persoonlijke betrokkenheid uit (mijn dochter stond op hun wachtlijst) en vroeg hoe zij stonden tegenover een centraal probleem dat door Cass werd geïdentificeerd: de onmogelijkheid om onderscheid te maken tussen kinderen bij wie de trans-identificatie zou overgaan en kinderen die, in de woorden van Cass, ‘een stabiele trans-identiteit’ zouden ontwikkelen. Ik vroeg of zij meisjes hielpen om mogelijke andere redenen te onderzoeken voor het afwijzen van hun vrouwelijkheid dan genderincongruentie, zoals seksueel grensoverschrijdende ervaringen, confrontatie met pornografie of objectificatie door mannelijke leeftijdsgenoten, en of ze protocols hadden voor detransitioners.
Ik kreeg geen antwoord. In het jaar dat volgde stuurde ik de e-mail een paar keer opnieuw, waarbij ik min of meer smeekte om mij te bevestigen dat de behandelaars in de kliniek daadwerkelijk over deze urgente kwesties nadachten. Stilte. Pas toen ik aangaf dat ik contact had opgenomen met een journalist die geïnteresseerd was in het onderzoeken van hun praktijk, kwam er een antwoord. Het bestond uit een recente publicatie in het ‘Journal of Transgender Health’ waarin de ontwikkelingen in de kliniek werden geschetst, en de mededeling dat ze niet verder op mijn vragen zouden ingaan omdat deze van persoonlijke aard waren. Dit is opmerkelijk voor een vertegenwoordiger van een medische discipline die volledig leunt op de introspectie en de persoonlijke verhalen van patiënten.
Het ontbreken van conceptuele reflectie of helderheid
Deze uitvlucht — ‘we beantwoorden geen persoonlijke vragen’ — verwees naar het feit dat ik mijn vragen deels baseerde op mijn eigen ervaring als anorexialijder, wat we nu zouden herkennen als een tiener met ernstige genderdysforie in de jaren 80. Toen mijn borsten begonnen te groeien, had ik nachtmerries waarin ik ze zag als steenpuisten. Twintig jaar later hield ik echter van ze: ze bleken uiterst nuttig toen ik eenmaal kinderen had. Het is duidelijk dat deze ervaring mij immuun maakt voor de bewering dat adolescenten, of jongvolwassenen in het algemeen, competent zouden zijn om te beoordelen of ze een mastectomie (borstamputatie ) ‘nodig’ hebben. In mijn communicatie met het CSG had ik daarnaast heel duidelijk gemaakt dat mijn zorgen ook conceptueel waren. Biologische sekse is een kenmerk van lichamen, niet van de geest. Ik kan me niet voorstellen hoe mensen die te jong zijn om de mogelijkheden van het geslachtsrijpe lichaam dat ze nog niet bezitten zouden kunnen begrijpen, en op een zinvolle manier kunnen ‘weten’ dat ze een niet-lichamelijk zelf hebben van het andere geslacht, van beide geslachten, of zelfs helemaal geen geslacht (!), laat staan dat hun lichaam medisch aangepast moet worden om daarmee in overeenstemming te zijn. Het is al moeilijk genoeg om te zien hoe volwassenen hier zeker van kunnen zijn, laat staan kinderen in de storm van de puberteit.
Zorgvuldige behandelaars hadden al lang methoden moeten ontwikkelen om op dit soort zorgen te reageren. Er zouden protocollen moeten zijn om alternatieven voor ‘genderincongruentie’ te onderzoeken als verklaring voor het gendergerelateerde lijden van hun patiënten. Ze zouden bezorgde ouders moeten kunnen uitleggen waar ze in de zelfbeschrijvingen en symptomen van patiënten naar zoeken om degenen te identificeren die meest waarschijnlijk baat hebben bij een medische transitie (of ‘meest waarschijnlijk’ een motivatie is die voldoende sterk is om over te gaan tot onomkeerbare ingrepen, is een vraag op zich). Ze zouden moeten kunnen bevestigen dat ze screenen op trauma, met name seksueel trauma, en autisme.
In plaats daarvan grijpen de publieke verklaringen van de CSG terug op dezelfde vage, wollige taal over trans-identificatie als ‘een routineus onderdeel van de menselijke diversiteit’, net als de Engelstalige activisten. Ook zij hebben geen definitie van ‘genderidentiteit’ die niet circulair is (die niet teruggrijpt op bestaande clichés van mannelijkheid en vrouwelijkheid om mannelijke versus vrouwelijke genderidentiteiten te beschrijven). Ze bieden geen verklaring voor de vraag waarom lichaamsaanpassingen nodig zouden zijn om in je ‘ware gender’ te leven als genderfluïditeit een nastrevenswaardige norm is, of hoe gender, dat alom wordt begrepen als ‘het geheel van sociale en culturele kenmerken die geassocieerd worden met een bepaalde biologische sekse’, de kern kan vormen van een aangeboren identiteit. Hun vermeende zorgvuldige aanpak wordt wel beweerd, maar niet in de praktijk gebracht.
De onbesproken prikkels en ruimte voor overdiagnosticering van ‘genderincongruentie’
Dit is des te zorgwekkender vanwege een minder besproken aspect van de ‘genderbevestigende’ medische praktijk, namelijk dat behandelaars alle prikkels hebben en volop de ruimte krijgen om te overdiagnosticeren. Ze hebben de prikkel omdat hun carrières zijn gebouwd op de medische transitie van mensen, en hun vakgebied verdwijnt als er bij niemand meer de diagnose ‘genderincongruentie’ wordt gesteld. In Vlaanderen is de gendergeneeskunde, net als elders, inmiddels een gevestigde sector, en iedereen die er werkt heeft patiënten nodig om aan het werk te blijven. Voor de duidelijkheid: er is geen gebrek aan vraag; artsen concurreren simpelweg met elkaar om gezien te worden als de beste — of tenminste een haalbare — behandeloptie voor deze patiënten.
Ze hebben de ruimte om te overdiagnosticeren vanwege de aard van de psychiatrie. Zoals ik heb geleerd tijdens de zwerftocht van mijn dochter door therapieland, heeft de psychiatrie van alle medische disciplines de grootste moeite om de oorzaken en processen achter de ziekten die zij behandelt te begrijpen. Toegegeven, weinig medische specialismen zijn zo helder als infectieziekten, waar de ziekteverwekkers en hun effecten empirisch kunnen worden getraceerd (hoewel COVID ons eraan herinnert dat zelfs dit nog veel onzekerheid met zich meebrengt). Andere specialisten kunnen somatische mechanismen observeren, zoals afwijkende antilichamen, overactieve cellen, enzovoort, en plausibele verbanden leggen met de symptomen van patiënten. In de psychiatrie blijft de relatie tussen waarneembare hersen-fysiologische of andere somatische afwijkingen en de complexe mentale en gedragsproblemen waar patiënten mee worstelen bijzonder mistig. Psychiatrische diagnoses blijven daarom overwegend taxonomisch: ze zijn gebaseerd op het beschrijven van symptomen en het groeperen daarvan onder steeds veranderende labels; een tastend proces dat wagenwijd openstaat voor vergezochte en mogelijk opportunistische innovaties.
Dit maakt specialisten in de genderbevestigende geneeskunde heel anders dan bijvoorbeeld cardiologen of oncologen. Als die laatsten een proefbehandeling starten en deze faalt, moeten ze misschien een andere aanpak proberen, maar niemand twijfelt eraan dat kanker of hartaandoeningen bestaan, of dat behandelingen van het soort dat oncologen of cardiologen uitvoeren nodig zijn. Gender-specialisten riskeren daarentegen hun eigen baan op het spel te zetten als ze serieuze twijfel toelaten, hetzij over de geschiktheid van ‘genderincongruentie’ als omschrijving voor het lijden van hun patiënten, hetzij over de geschiktheid van transitie als behandeling daarvoor.
In feite blijft wat nu ‘genderincongruentie’ wordt genoemd, en daarvoor ‘genderdysforie’ en nog eerder ‘transseksualiteit’, een psychiatrische diagnose. Net als bij andere psychiatrische diagnoses is deze bij benadering en voorlopig, en is er geen duidelijke fysieke correlatie. Dit is waarom geen enkele genderclinicus voorstelt om fysieke tests te gebruiken, wat overduidelijk in hun belang zou zijn als dergelijke correlaties wel gevonden konden worden. Toch moet deze diagnose gesteld worden om de reeks fysieke interventies op gang te brengen die artsen zoals Hoebeke met trots presenteren.
Het is moeilijk in te zien wat diagnostisch voorzichtigheid voor mensen in dit vakgebied betekent; het is daarentegen makkelijk in te zien hoe een losse omgang met diagnostische criteria in hun voordeel werkt. Maar dit probleem wordt in de verklaringen van behandelaars nooit hardop erkend. Evenmin worden de implicaties hiervan voor de gendergeneeskunde bij volwassenen erkend, vooral wanneer het gaat om patiënten die al sinds hun adolescentie in de psychiatrische molen zitten. Kiest een 18-jarige werkelijk in alle vrijheid voor een borstverwijdering als haar al vanaf 12- of 14-jarige leeftijd is verteld dat dit zal helpen? Hoe zorgen ‘bevestigende’ genderspecialisten ervoor dat ze jonge patiënten niet conditioneren om te verlangen naar wat goed is voor de carrière van hun artsen?
Het artikel dat de vertegenwoordiger van het CSG mij toestuurde, toonde duidelijk aan dat er onvoldoende aandacht was besteed aan deze fundamentele kwesties5. Het bevat een paar formele vermeldingen van ‘grondige psychologische beoordeling’ en ‘multidisciplinair team’, zonder verdere toelichting. Wat het wel laat zien, is dat CSG zelf-aanmeldingen van minderjarigen accepteert, zonder dat andere artsen of zelfs ouders erbij betrokken hoeven te worden. Eén zin springt er echt uit: ‘Een beperkt aantal individuen besloot het gendertransitietraject (deels of volledig) te stoppen en helaas overleden vijf RFAB-individuen [Registered Female at Birth / geboortegeslacht vrouw] door zelfdoding, zie Figuur 6. De mediane leeftijd waarop zelfdoding werd gepleegd was 18,6 jaar (spreiding 17,9–20).’
Het is een vreemde manier om het stoppen van een behandeling in één adem te noemen met het beëindigen van je leven. Alle vijf de slachtoffers van zelfdoding waren jonge vrouwen die een baarmoederverwijdering (hysterectomie) hadden ondergaan, wat impliceert dat er ten minste één baarmoederverwijdering vóór de leeftijd van 18 jaar is uitgevoerd (aangezien het jongste slachtoffer onder de 18 was). Dit waren vijf zelfdodingen op een totale patiëntenpopulatie van minder dan 900 patiënten. Dit komt neer op ongeveer 1,5 zelfdodingen per 1.000 patiënten over een periode van tien jaar (de periode die in het artikel wordt bekeken), wat in lijn is met het gemiddelde Belgische zelfdodingscijfer van ongeveer 15 per 100.000 personen per jaar. Normaal gesproken plegen mannen echter minstens twee keer zo vaak zelfmoord als vrouwen, en gezien het totale aantal uitgevoerde baarmoederverwijderingen (147), vormen de vijf zelfdodingen een sterftecijfer door suïcide van 3,4 procent voor deze groep. Is het sturen van tienermeisjes in een vroege menopauze dan misschien toch een beetje onverstandig? Ik legde de kwestie van deze zelfdodingen voor aan de woordvoerder van het CSG die mij het artikel stuurde. Ik kreeg geen reactie. Het artikel zelf, puur beschrijvend, bevat geen enkele zelfreflectie op dit punt, of op welk ander punt dan ook. ‘Zorgvuldig’? Zoveel zelfgenoegzaamheid zou lachwekkend zijn als de context niet zo intens triest was.
1 Trans… et alors?, Piet Hoebeke | 9789465302430 | Boeken | bol – de term ‘authentieke tocht’ staat in de beschrijving onderaan deze pagina.
2 GenderGP clinic has betrayed us with AI rip-off, say trans patients, Judge warns over “dangerously high” hormone dose prescribed to teenager by online gender clinic | The BMJ
3 Cass-review in het VK is scherp voor transgenderzorg bij minderjarigen | Transgenderinfo – dit is de link naar de reactie van het transgenderinfopunt op Cass. De link naar het betoog van GenderGPs is nog steeds online (25-5-2026). – Response to the Cass Review – GenderGP
4 Response Cass Review on Transgender Care for Adolescents – EPATH (let op: dit leidt naar de openingspagina; de meer gedetailleerde verklaring die onthult hoe hol de steun van Cass is, staat achter de link onderaan de pagina (‘klik hier voor de volledige verklaring’). Een reactie van Amsterdam UMC op de Cass-review over transgenderzorg | Amsterdam UMC – verklaring van de Amsterdamse kliniek.
5 Ciancia_Evolution of pediatric TG healthcare in Flanders_IJTG_2025.pdf
Origineel: Inspecting Gender – The Myth of Belgium’s ‘Cautious Approach’
![]()